
“Waarom ga je eigenlijk weg?”, vraagt Mariëlle. Ik heb hier geen goed antwoord op. “Weet je zeker dat je het creatieve vak niet gaat missen?” Weet ik eigenlijk ook niet. We zitten samen in mijn kantoor in De Stal, een ontwerp- en communicatiebureau, waar ik op dat moment eigenaar van ben. Letterlijk in de stal van een prachtige boerderij.
Jaren geleden hebben Paul, mijn man, en ik deze oude boerderij gekocht in Maasland. Tegen het Westland aan. Met een voorhuis, een enorme stal, een kaashuisje, een groot erf en een kleine twee hectare grond. Ik wilde namelijk ook graag groeien met mijn bureau. Er moest wel wat gebeuren. We stonden voor een verbouwing die acht jaar zou gaan duren. Soms is het maar goed dat je vanuit je enthousiasme niet altijd weet waar je aan begint.
Drukte
De verbouwing begon in eerste instantie ook echt in de koeienstal van de boerderij, zodat ik daar in ieder geval kon gaan zitten met mijn twee collega’s. Jeanet als grafisch ontwerper en Cora voor de boekhouding. Ik had met Jeanet ooit dezelfde opleiding gedaan aan de Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. En ze was (en is) echt goed. En Cora was collega-moeder. Onze zonen waren even oud en vriendjes van elkaar. Cora deed een paar dagen in de week de administratie.
Zolang de stal nog niet klaar was, zaten we met elkaar dus in de opkamer van het oude voorhuis te werken. Niet ideaal, geef ik toe. Ik woonde namelijk ook in het oude voorhuis, net als Paul en onze twee kinderen. En het hele kleine slaapkamertje, waar ons bed net in paste, was in diezelfde opkamer. Alles oud en gehorig. En Paul is registerloods in Rotterdam. Een mooi beroep, maar wel met dubbel onregelmatige werktijden. Dus ook overdag proberen te slapen, als je ’s avonds of ’s nachts weer aan het werk moet. Dat gaat dus niet met de drukte van drie dames naast je en het duurde ook niet lang of Paul had er helemaal genoeg van en regelde met de aannemer, die ondertussen met de stal bezig was, een portocabin achter op het erf. Eindelijk rust in huis.
Op de groei verbouwd
De stal was letterlijk op de groei verbouwd. We hadden een heerlijke ruimte en het aantal klanten groeide ook gestaag. Het was begin jaren ’90 toen mijn bedrijf echt begon te groeien. In die tijd kwam de glastuinbouwsector in Nederland in een enorme crisis terecht. Na de Duitse beschuldigingen dat de Nederlandse tomaten ‘wasserbomben’ waren, ging de belangrijkste afzetmarkt voor de glastuinbouw in Nederland onderuit. En daarmee de groenteveiling. Jarenlang was er vooral gestuurd op kwantiteit en niet op kwaliteit, op kostenverlaging en niet aan het creëren van meerwaarde. De kwekers waren ontevreden, verlieten de veiling en zochten elkaar op. De telers-verenigingen ontstonden en er werd gewerkt aan het kweken van topkwaliteit tomaten, onderscheidend op smaak. Niet één, niet twee, maar heel veel verschillende soorten smaakvolle tomaten werden geteeld en vermarkt en daarmee ontstonden ook heel veel verschillende ontwerpen voor allerlei verpakkingen en namen. Bij De Stal hebben we dus heel veel van die nieuwe labels en verpakkingen ontworpen. Niet alleen voor de tomaten, maar ook voor al die paprika’s, komkommers en zelfs sla. Ik mocht er ook regelmatig van proeven. Echt heerlijk!
De Stal groeide. Met een aantal jaren zaten we met 14 mensen in het achterste deel van onze boerderij. Mariëlle Broos uit Maasland kwam bij De stal stage lopen. Toen mijn traffic manager vertelde dat ze wegging bij De Stal, vroeg ik aan Mariëlle: Wat wil jij na je opleiding eigenlijk gaan doen? Ze zei: “Haar werk … “ En dat ging ze ook doen.
Altijd aan het werk
Niet alles liep op rolletjes. Tussen Paul en mij ging ’t helemaal niet altijd goed. Ik was veel aan het werk. En ook als ik niet aan het werk was, was ik toch ‘aan het werk’. Mijn vader speelde daarin onbedoeld een grote rol. Hij had voor zijn opvolging gekozen voor zijn zoon. Ik had een enorme drive om te laten zien dat ik het ook kon! Mijn man Paul zag hoe ik knokte en leerde en groeide. Maar hij had ook te maken met het feit dat ik er niet echt was voor hem en voor onze twee kinderen en dat ik bovendien mijn vader verdedigde in zijn keuze. Paul was het meer dan zat. En hij ging dat persoonlijk vertellen aan mijn vader!
Ik snapte er niets van. Hoe kan je nu mij stimuleren om naar het familiebedrijf te gaan, terwijl je het helemaal niet leuk vindt dat ik zo hard werk. Het duurde even, maar toen kwam het gesprek met pa. Ik was ondertussen veertig jaar. We mochten als kinderen nu zelf aangeven of we interesse hadden om bij Priva te gaan werken. Mijn broer en ik zeiden ja. Mijn zus maakte een andere keuze.
Weg uit De Stal
Ik had in die tijd al de wens om een studie bedrijfskunde te gaan volgen aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, maar deze wens kreeg nu nog meer betekenis. Mijn afstudeerscriptie ging over de culturele en structurele barrières als het gaat om R&D bij familiebedrijven. Uiteraard hield ik mijn onderzoek bij Priva. Na 2,5 jaar studie en een afstudeerscriptie met dertig diepte-interviews en 270 enquêtes bij Priva, behaalde ik mijn Master.
Dan volgt het gesprek met Mariëlle. De zaken liepen goed bij De Stal. We hadden ondertussen vijftien collega’s. Mariëlle kon dat al buitengewoon managen op haar jonge leeftijd. Alleen het creatieve deel was nog wel wat lastig. Zoekend naar groei en borging van onze creativiteit kwam het Rotterdamse bureau Proforma ‘voorbij’. Met gesloten beurzen lieten we de twee bedrijven samen gaan. De Stal verhuisde naar Rotterdam. De stal was leeg …

